De voorbije dagen ontstond er commotie over een vonnis in een verkrachtingszaak waarbij
een opschorting van veroordeling werd uitgesproken. Het zijn bijzonder uitdagende tijden
voor strafrechters. Hun beslissingen liggen vaak onder vuur in klassieke en sociale media.
Op zich is deze commotie begrijpelijk, ja zelfs wenselijk. In een rechtsstaat dienen
rechterlijke beslissingen gerespecteerd en uitgevoerd te worden, maar anderzijds kunnen zij
het voorwerp uitmaken van kritiek en maatschappelijk debat. Waarheid en kennis komen naar
boven door botsende meningen. Meerstemmigheid leidt naar meer inzicht en wijsheid.
Bovendien is er niets mis met emoties, kwaadheid en morele verontwaardiging. Deze
gevoelens kunnen de samenleving potentieel in beweging brengen. Zij zijn de noodzakelijke
brandstof voor elke maatschappijkritiek.
Maar zeker in zedenzaken raakt het debat over straffen snel oververhit. Wie het woord
“verkrachting” hoort, vertrekt vaak van het stereotype beeld van een dader die een onbekend
slachtoffer brutaal overmeestert. Het is een zwart-wit-beeld dat bij velen rechtstreeks leidt
naar onbegrip voor een mild vonnis, maar dat bijna altijd haaks staat op de dagdagelijkse
realiteit. De meeste zedenzaken kennen immers een totaal andere context. Vaak zijn de feiten
bijzonder complex en gelaagd. Elke zaak is ook anders. Achter elke zedenzaak zit een heel
andere geschiedenis. Ook deze Leuvense zaak heeft kennelijk een uiterst specifieke context.
Het is daarom onmogelijk om te oordelen zonder deze context te kennen. Het is evenmin
verstandig om op basis van één enkele zaak algemene uitspraken te doen over de bestraffing
van verkrachtingszaken of seksuele misdrijven.
Elke dag opnieuw leggen rechters in andere zaken (met dus andere individuele
omstandigheden) zware straffen op aan andere daders van zedenmisdrijven, en dit ongeacht
hun sociale status. Dit wordt onvoldoende benadrukt. Rechtspreken is immers maatwerk. Een
opschorting van veroordeling in een verkrachtingszaak is in elk geval zeer uitzonderlijk.
Waarom hebben de rechters in deze Leuvense zaak deze beslissing genomen? Deze vraag kan
enkel maar ernstig worden beantwoord wanneer we kennis hebben van de specifieke context
die de rechters hebben doen besluiten dat de beklaagde een tweede kans verdiende. Wanneer
we deze individuele omstandigheden niet (voldoende) kennen, moeten we terughoudend en
voorzichtig zijn in ons oordeel.
In een rechtsstaat wordt elke macht sterk begrensd door wetten en procedures die door de
vertegenwoordigers van het volk zijn vastgelegd. Het is dus de wetgever die de gunst van
opschorting van veroordeling mogelijk maakt in ons strafrecht. Rechters kunnen deze
uitzonderlijke gunst enkel toekennen omdat de wet dit toelaat. De toekenning van een
opschorting in zedendossiers doet vaak stof opwaaien, maar het is belangrijk om te
benadrukken dat de wetgever ook in het nieuw seksueel strafrecht (in werking getreden op 1
juni 2022) deze wettelijke basis niet heeft afgeschaft. Net omdat opschorting van veroordeling
in uitzonderlijke omstandigheden de aangewezen beslissing kan zijn, ook in
verkrachtingszaken.
Welk strafrecht willen we? Volgens de klassieke visie op het strafrecht uit de negentiende
eeuw worden straffen bepaald door de feiten en dus door wat er in het verleden gebeurde. De
normschending rechtvaardigt ook meteen de straf. Omdat de norm is geschonden, moet er
worden gestraft, ook al heeft dat in bepaalde zaken geen enkel nut of kan het zelfs schadelijk
zijn voor de beklaagde, de samenleving én het slachtoffer. Gelukkig hebben we deze klassieke
visie op het strafrecht enkele decennia geleden reeds bijgesteld. Rechters straffen niet met
vaste tarieven en kijken niet enkel naar het verleden en de feiten. Bij de bepaling van een straf
kijken rechters ook naar de toekomst, naar de oorzaken van crimineel gedrag, naar verslagen
van gedragswetenschappers en naar de mens die achter de feiten schuilgaat. Daarbij wordt de
vraag gesteld of een dader schuldinzicht heeft, ja zelfs of het opleggen van een straf in de
gegeven omstandigheden nog noodzakelijk of nuttig is. Rechters weten al langer dat het leed
van een slachtoffer niet noodzakelijk wordt uitgewist door vergelding of wraak. Evenmin
wordt dit leed automatisch vergroot door een mild oordeel van de rechter.
Het is trouwens een hardnekkige mythe dat slachtoffers steeds vragende partij zouden zijn
voor repressie of hardere straffen. De ervaring leert dat vele slachtoffers meer belang hechten
aan de erkenning van hun (vaak grote) schade (door de dader én de rechtbank), aan een beter
begrip van de oorzaken van de gepleegde feiten en (vooral) aan een vonnis dat tot doel heeft
dat de dader geen nieuwe slachtoffers maakt. Dat vergelding voor slachtoffers niet de
voornaamste doelstelling hoeft te zijn, wordt overigens bevestigd in onderzoek. De luidste
roepers op sociale media nemen in dit soort dossiers vaak een standpunt in dat niet steeds
gedeeld wordt door slachtoffers. De gevolgen van deze onwetendheid zijn bijzonder ernstig.
Wie pleit voor meer repressie zou moeten weten dat hij of zij niet namens alle slachtoffers
spreekt én dat repressie in de vorm van effectieve vrijheidsstraffen ook een risico inhoudt: het
kan net leiden tot meer recidive en dus nieuwe slachtoffers.
Justitie komt elke dag in het nieuws. Beslissingen van rechters beroeren de samenleving.
Nochtans hebben bitter weinig mensen enig referentiekader wanneer het over straftoemeting
gaat. Rechters komen onder grote druk te staan. Niet alleen in België overigens. We zien het
recent in Frankrijk, de Verenigde Staten en elders. Het is belangrijk om te duiden dat rechters
in eer en geweten oordelen, met kennis van zaken beslissingen op maat nemen en de moed
moeten hebben om af en toe tegen de publieke opinie in te gaan. Dit is immers het principe
van onafhankelijke rechtspraak dat grondwettelijk gewaarborgd is.
In een democratische rechtsstaat is het belangrijk dat voldoende duiding gegeven wordt over
uitspraken van rechters en dat er een brug gemaakt wordt tussen het oordeel van de rechter en
de publieke opinie. Op het vlak van communicatie heeft justitie de voorbije jaren al enkele
stappen gezet, maar er is nog veel werk aan de winkel. Naar Nederlands model zou er massaal
moeten ingezet worden op een betere communicatie door justitie, onder meer via sociale
media. Maar dit kost uiteraard geld en er lijkt nog steeds onvoldoende politieke bereidheid om
daarin te investeren, ook al toont de recente commotie opnieuw aan dat dit broodnodig is.
Uiteraard hoeft niet iedereen het eens te zijn met de beslissing van de drie Leuvense rechters.
Er moet zeker ruimte zijn voor kritiek. Bovendien werd reeds hoger beroep aangetekend door
het openbaar ministerie. Het is mogelijk dat de rechters in beroep tot een ander oordeel
komen. Maar ondertussen worden velen op sociale media gemobiliseerd met slogans of
enkele woorden uit het vonnis die uit hun ruimere context worden gehaald. Dit gebeurt
overigens steeds vaker en trouwens niet alleen wanneer het om vonnissen gaat. Een complexe
realiteit wordt op deze manier gedegradeerd tot simpele oneliners. Het ritme van onze
samenleving wordt opgejaagd door de polariserende algoritmes van sociale media die onze
aandacht zoveel als mogelijk willen kapen. Maar waar geld te verdienen valt, is de complexe
waarheid vaak het eerste slachtoffer. Het maakt onze rechtspraak (en bij uitbreiding onze
democratie) kwetsbaar. We moeten aandachtig zijn voor deze verontrustende evoluties.
Ondertussen worden onze kinderen naar aanleiding van deze verkrachtingszaak op sociale
media opnieuw overspoeld door opruiende taal van mensen die van hun onwetendheid een
verdienmodel hebben gemaakt. Het slachtoffer in deze zedenzaak wordt door de mediastorm
genoodzaakt om na het vonnis publiekelijk (overigens zeer waardige) verklaringen af te
leggen. De dader wordt ondertussen belaagd en kan zijn huis niet meer uit. Op internet
circuleert zijn foto en zelfs zijn GSM-nummer waardoor deze jongeman op het internet
levenslang aan de schandpaal kan worden genageld. De tweede kans die de rechters wilden
geven, wordt hem op deze manier volledig ontnomen. Het heeft stilaan veel weg van een
middeleeuwse lynchpartij waarbij er geen plaats meer lijkt te zijn voor enig mededogen.
Ondertussen hebben vele beklaagden meer schrik van journalisten en sociale media dan van
hun rechters. Is dit werkelijk de samenleving die we willen?
M&M benadrukt dat de rechters in beroep nog in volle onafhankelijkheid moeten kunnen
oordelen over de zaak en dat deze tekst geenszins de bedoeling heeft onze mening te kennen
te geven over deze concrete casus.
Deze opiniebijdrage van M&M verscheen in De Standaard op 4 april 2025